Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

OVER DE LIEFDE XIV.

Het is Zondagmorgen. Je ontwaakt met het „vaste voornemen" om negen uur op te staan, thee te zetten, het kacheltje aan te steken in de slaapkamer, pap te maken, en al wat je hartje je verder ingeeft.

Was je dan ook maar om negen uur opgestaan ! Had je mij maar niet den tijd gelaten te denken : het is Zondagmorgen, ik kan dezen morgen eindelijk eens uitslapen. Ik ben benieuwd.... of zij daaraan denkt, ik ben benieuwd.... wat zij doet.

Doezelig lag ik te „wachten" En zelfs in doezelige toestand schijnt mijn wachten zóó zwaar te wegen, dat het je gevangen houdt, of, zooals je het zelf noemt, een onzichtbare ijzeren kast om je bed bouwt.

Om half tien vraag je met een lief stemmetje: Heb je lucifers ?....

Ik ben nog half in slaap, ik droom van mooie dingen; als ik op je vraag inga, zal mijn actieve geest me voorgoed wakker blijven houden. Ik weiger dus te antwoorden en .... bezegel daarmee mijn lot, jouw lot, het lot van dezen stralenden Zondag.

„Wat drommel," denk ik, „moet je me daarvoor wekken ? Zie je wel, dat je nooit op iets bedacht bent, dat mij aangenaam is ? Dat je er zelfs niet aan dénkt, dat ook ik, die altijd in de weer ben, wel eens zou willen dóór-slapen, dóór-doezelen in. een sfeer, die me zoo zelden meer gegund is? Hoe lang moet je nog met me getrouwd zijn om te weten, dat mijn lucifers in mijn rechter broekzak zitten, waar je ze stilletjes uit kunt halen als een vrouw, die volkomen thuis is in de zaken van haar man? Weet je wel iets van mij ?"

En ik zeg, getemperd-kribbig: „Maar Mopje, dat weet ik heusch niet Kun je die dan zelf niet vinden?"

Nee, ik heb niet gezegd: was het meisje er maar, dan zou alles tenminste van zelf gaan — ik heb dat zelfs niet gedacht.

Sluiten