Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

220

en belasting, over abrikozen en pruimedanten, en over jouw nieuwe japon?

Groote God, dat nü te denken, nu ik weer eenzaam zit en mijn ziel uitween in woorden, warme, bloedwarme woorden, die ik naar jou zend, mijn liefste, en naar de wereld, opdat die ze hooren zal en een oogenblik stil zijn ! Dat nü te denken, nu alle zaligheid in hemel en aarde voor mij bestaat in jouw nieuwe japon, jouw zachte grijs-lakensche japon, die je gemaakt hebt, zoo energiek, zoo plotseling energiek, in de drie dagen, dat we nu weer „van elkaar" zijn.

Ik heb ze bevoeld vanmiddag, toen ik je ontmoette, zachtjes, schuchter — ik, die je man ben 1 — als een begeerige vreemde. Maar het was niet meer mijn japon, onze japon, waar we saampjes blij om konden zijn, en het lichaampje daarin, zoozacht en soepel, was niet het mijne, maar koel en hard als van een vreemde vrouw. Je hebt me van je afgeschud, eindelijk óp,, eindelijk moe van ons leven, van ons eindeloos-lange leven. En ik weet nu geen machtswoord meer om deze scheiding te overbruggen. Deze scheiding, die mijn dood is. Ik weet geen machtwoord meer om mijzelf het leven terug te geven. Het is uit me weggevloeid, met alle warmte en alle licht, en alle belang en alle goddelijke waarde. En het zweeft ergens, tusschen ons beiden, waar ik het niet vatten kan.

Eenzaam en besmeurd zit ik hier weer en schrijf mijn liefde uit, ik, die ze leven mocht 1 Vuil ben ik, en eiken dag zink ik dieper weg, want met jou gaat het raison voor alle reinheid» voor alle rechtvaardigheid, voor alle menschelijkheid heen. Er moet nog een God zijn om goed voor te leven. Maar ik ken hem niet buiten jou. God moet ergens wonen, hij moet ergens voelbaar zijn, wil hij een kracht zijn ten goede. En voor één, die geen kerk heeft, geen boomen en geen wolken, geen zee en geen schoonheid, niet anders dan om ze zijn liefste te toonen i— voor hem is er geen reden rein te zijn, geen kracht om rein te rijn als die liefste zich heeft afgekeerd.

Zoodra je weg bent val ik omlaag. Is dat slap ? Is dat zwak ? Is dat de reden van onzen eindeloozen strijd: dat ik niet uit eigen kracht mezelf kan zijn? Je zult hier wel niet op antwoorden en er nauwelijks over denken. Heb je niet gezegd, dat

mijn brieven, vol mooie woorden, al verscheurt vóór je ze gelezen hebt? Dat ik ze maar aan anderen moet zeggen, aan menschen

Sluiten