Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

226

in vond en er trotsch in op- en neerging, voelde haar man zich „achteraf" gezet en zei, dat xe het huis voor zichzelf had gemaakt zonder aanzien van zijn gecompliceerde natuur, die (en dat moest ze toch weten) liever op een zolderkamertje zou wonen met een beetje „geestelijke" sfeer, en zonder banale zorgen. En opeens „vóelde" ze, dat ze het huis voor zich had verlangd, en ze had er geen lust meer in en droeg de vreugdige zorgjes van een klein bedrijvig vrouwtje als een sombere last.

Toen ging ze op hem letten, plichtmatig. Niet meer stilletjes en schuchter in de binnenkamer van haar hartje, maar openlijk en overdadig zooals dat blijkbaar van een vrouw verlangd wordt. In plaats van nu eens een boterham en dan weer een bordje griesmeel, en dan weer havermout naar het haar lustte en naar het uitkwam en van ganscher harte, gaf ze hem iederen dag geregeld pap, omdat hij beweerde alleen bij een geregelde papvoeding zijn zware dagtaak voor haar en het „huis" te kunnen vervullen, een taak waarvan ze wel niets begreep (o nee 1 nu hij het zei begreep ze er in waarheid niets meer van.... van die dagtaak I), maar die ze tóch, nu het eenmaal zoo was, had te deelen. En toen hij de pap opat, kijkend op zijn horlogé, zonder andere erkenning dan een schoolmeesterig knikje „dat ze het blijkbaar eindelijk wel leeren zou", haatte ze opeens zijn „dagtaak", „haar" huis en de pap, en „begreep", omdat hij het zoo wilde, dat ze zijn vrouw niet was.

En ze schudde het van zich af (zoo maar, even „zoo maar" als het begonnen was) als een last, vruchteloos en vreugdeloos, en vluchtte terug in haar oude leven. Maar haar oude leven lag daar ganschelijk door-schouwd, cynisch ontleed, geheel ontvezeld. En zoo had ze opeens noch een huis, noch een man meer, noch een oud „eigen" leven.

En in haar eenzaam kamertje, vóór ze slapen ging, nam ze twee slaappoeiers en een dosis rattenkruid.

Den volgenden morgen, toen ze niet dood bleek, kwam hij bij baar, in tranen, verloopen, óp van een nacht van ellende en wroeging en waanzinnig verlangen.

En weer keerde ze terug en werd haar het onontkoombare opgelegd. En, omdat ze, schoon glimlachend, weer niet wist wat ze op zich nam, begon het oude leven opnieuw.

Toch geeft God uitkomst, ook in deze dingen. Maar zijn bedoelingen blijven ons duister ook al meenen we ze te kennen.

Sluiten