Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

RECENSIES

„Feestelijke Ommegang"

Deelen I en II.

„Van een armen Dichter."

Tk heb vroeger al in dit blad over Johan Alberts geschreven, maar nu een I Bloemlezing in twee deelen uit al zijn werken is uitgekomen, kan ik niet nalaten, nóg eens over hem te schrijven. Ik doe dat met een zekere piëteit en met ontroering. Men zal misschien in al mijn recencies en kronieken wel reeds opgemerkt hebben, dat, al erken en waardeer ik hun goede litteraire kwaliteiten, dé meesten onzer officieele letterkundigen mij eigenlijk vrijwel koud laten, voor zoover ik hen menschen vind „die schrijven kunnen" maar meer niet. Ik heb datzelfde gevoel van onverschilligheid en onaandoenlijkheid als ik, bij zéér zeldzame gelegenheden op officieele samenkomsten van lettterkundigen ben — 't behoeft niet eens een vergadering te wezen, een thé of souper is al genoeg. Ik denk dan wel eens! Het konden evengoed notarissen zijn, of ontvangers van de registratie, of zoo iets. Trouwens, de vereeniging van Ned. Letterkundigen heeft openlijk geformuleerd, dat letterkunde een vak is, en letterkundige een beroep.

Als ik Johan Alberts lees, denk ik nooit om een letterkundige, maar voel ik een mènsch. Een mènsch in verschrikkelijke nooden, in diepste vernederingen, in haast onnoembare schande, een mensch, schaterlachend een wanhopig dén aan zijn God, en in 't volgend oogenblik wegkrimpend van snikken in de zaligmartelende berouw-huiveringen van Compunctio, een armen stakker, die in verdachte c aarkeukens een schamel etentje kauwt met berooiden, en blij is als hij in het Amsterdamsche Arbeidershuis wakker kan worden met nog vijf en dei tig centen in zijn zak, maar die ook wel eens logeert — als een Roi en Exil — 1°iietni_SlaapSteê' met Proleet 818 buurman, die naar uien ruikt en jenever

Ik heb onlangs eens geschreven, dat er geen Bohème meer is, maar de schrijver •van Feestelijke (!!!) Ommegang behoort tot de, overigens, verdwenen, Sainte Bohème, waar Verlaine een der onheilige heiligen van was. Hij zelf noemt zich niet Bohémien, maar zet vóór in zijn boek, lichtelijk koketteerend: „Het boek wil in letterkundige uitingen een overzicht geven van het leven van een bandeloozen aU-round, die veel, van wat van onzen tijd was, onderging, doch zich in weinig verliezen kon."

Als men deze twee deelen heeft uitgelezen kan men den schrijver een gek noemen, een zedelooze, een schooier, een pierewaaier, een proletariër, een verdoemde, een all-round, een Bohémien, een levenslang on-maatschappelijke, al wat men slechts wil, maar wie het alles goed doorvoeld heeft, van de bitterste vernederingen tot het heiligste gebed, kan ook spreken van een oezegende, een uitverkorene, een vrome, een lieveling Gods. Zeer terecht schreef Frederik van lieden er dan ook van: „Maar vooral onderscheidt zich dit Nederlandsche werk door de aanduiding vandiep-en-vroom besef." Ik zou er nog bij willen voegendoor een ongelooflijke eerlijkheid. Deze twee deelen zijn menschelijke documenten

Sluiten