Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

235

„Het Verband tusschen het hier volgende wordt uitgedrukt in den ondertitel: Bloemlezing uit het Leven van een 20ste eeuwer. Het boek wil in letterkundige uitingen een overzicht geven van het leven van een handel oozen all-round, die veel van wat van onzen tijd is, onderging, maar zich in weinig verliezen kon".

Zoo is het vooraf, waarmee deze eenzame doler, deze hartstochtelijke speurder zijn bonte verzameling levensverslagen inleidt. Niet zijn werk, maar zijn leven, als in de eerste plaats belangrijk, toont zich aan ons ter beschouwing, nu eens beminnelijk-onbeschaamd, dartel-venijnig, brutaal zelf-hoonend, dan weer stil aandachtig, wrang bedroefd of verrukt-eerbiedig. Een aandachtig toeschouwer in hem ziet stil en roerloos, geloovig-wachtend naar den fantastischen strever, die in zijn gedaante, door de schijn van de stoffelijke wereld dwaalt.

Geen zonde, geen vorm, geen streven, geen smart en geen vreugde blijft hem vreemd. Hij is een der zeldzamen, waarvoor fantazie werkelijkheid, en werkelijkheid fantazie geworden is, het leven werd hem een grillig, wreed, heerlijk maar diep-ernstig spel.

Hij heeft God geëerd in de zelfontheiliging, de rampzalig makende zelfverachting, de vernederende begeerte-uitleving, den triomfeerenden, vernielenden storm, den neerslaanden toorn, het zwaar berouw, maar ook in de zachte deemoed en de innigste overgave. Hij is de onmerkbare aanwezige, ook al zet hij zichzelven op den voorgrond, in al zijn schetsen, gebeden en verdichtsels, hij is aanwezig zonder zich ooit aan de bijzondere aandacht op te dringen. Wreed teekent hij zichzelven tot in weerzinwekkende bijzonderheden, maar met een liefdevolle teederheid. Soms is de toeschouwer in hem een meedoogenlooze straffer, soms is de wereldsche dolle in hem een verwaten hooner, maar beiden weten elkanders kracht bewust, ontzien en erkennen elkander: vaak zijn het twee onverzoenlijke vijanden, soms twee elkander mild begrijpende vrienden. Op zijn best blijkt hij, wanneer de eerste in de gestalte van den tweede-zwerft en diens wereldsche handelingen heiligt, of wanneer de tweede wordt opgenomen in het wezen van den eerste en in deze zijn levenswarmte giet; groot kan hij worden, wanneer de eerste absolute macht verovert den tweede te laten gebaren naar zijn welbehagen en de tweede hem bewust en speelsch-erkennend gaat gehoorzamen, wanneer hij eindelijk onpersoonlijk scheppen kan in God s naam en met langer verslagen over zijn eigen capriolen behoeft uit te brengen. Op zijn sterkst zal hij zich demonstreeren, wanneer hijzelf uit zijn werk verdwenen zal zijn, doch zijn ware, ongeziene, maar wezenlijke individualiteit alom er in aanwezig is.

Ik wil in dit werk niet aantoonen, wat mij litterair het best geslaagd lijkt, ik wil geen zinsneden en regels aanhalen, die „mijns inziens" beter zoo en zoo hadden geklonken, ik wil in niets de betweterige kunstgeleerde uithangen, maar ik wil speuren uit dezen chaos naar wat de evolutie voor groot-menschelijks heeft doen worden in deze schijnbaar zoo verwarde persoonlijkheid, ik zou klaar en eenvoudig willen aantoonen, wat deze eenzame, die zich zonder schroom en vrees op het leven heeft gestort, en toch zijn eigen rechter bleef, uit de onbegrepen, oneindige veelheid van het onderbewustzijn in nieuwe vormen en gedachten tot boven-bewustzijn heeft verwekt. Want deze bundel is rijk aan alle verscheidenheden van het menschzijn, vol diepten en hoogten, vol donker en licht, vol wijsheid en vol dwaasheid. Als ik haar lees, voeg ik mij aandachtig naast den toezien den Alberts, de werklijke, die zich licht en één voelt met het universeele, en bekijk met hem teeder-bedroefd of blijde-hoopvol, den schijnbaren Alberts, die rusteloos de fictieve doeleinden van zijn streven te bereiken

Sluiten