Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

26

beurd, en de volgende ochtend waren ze opgestapt naar Lochem: een rijtje tweetallen, waarvan het laatste ge* vormd werd door hemzelf met Line,de nieuwelinge. Toch een lenig figuurtje en knap ook: hij voelde het als iets prettigs dat ze zoo dicht naast hem reed, en keek in de dorpsstraten onderweg de menschen aan of ze soms zou*

den laten merken de gedachte: een aardig span!

maar dat deden ze niet. Hij vond dat hem een heele eer te beurt viel, zoo maar zoo'n argeloos meisje naast zich te hebben dat op hem aangewezen was. De halve heen* tocht had ze meest gezwegen, soms kleine zegsels met een zachte stem geuit; des te beter had*i zelf kunnen kabbelen, vlotte zinnen met er tusschen gladde lachjes. Toen was zij heelemaal mee opgeleefd, haar ingehouden lach schoot op wanneer*i humoristte of sarcastisch over* dreef, en, eenmaal over de IJsel, was ze geleidelijk aan losgekomen met allerlei babbels van school — wel wat kinderlijk, had*i gevonden — maar toch luisterde hij aandachtig toe, soms zelfs gretig, terwijl ze eens spon» taan het hoofd naar hem ophief met de oogen glinste* rend, waarna ze allebei verward voor zich keken. Wat bekoorde er toch zoo in dat heldere woord*wellen? vroeg*i zich verstrooid: die eigenaardige ui*klanken, de kortaffe klinkers waar iets resoluuts in school, de zets, de esses of de vees? Of was het de ondertoon, die éven merkbare bijzang? Wat hoorde je toch heerlijk uit die spartel*woordjes, hoe zoo'n meisje rein was!

Te Lochem hadden ze dan de traditioneele plekken bezocht: de beide belvédères, de Dollehoed, de Witte* wievenkoele, Ampsen en de Cloese, en was er bij de Berkelstuw gepleisterd, waar onder doffe donder het

Sluiten