Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

28

na tegen hem gelachen, maar hij had zichzelf gezegd: „daar kan tóch niks van komen", en 'er uit zijn denken willen bannen.

Maar dat was niet mogelijk gebleken. Pittig waren de bizonderheidjes van dat eene tochtje in 't geheugen blij* ven leven, en haar beeltenis het allersterkst, omgeven door een gloed van donker. Was het haar beeld nog wel? Op eenzame wandelingen en in onrustige nachten had*i het vaak zoo innig vóór zich gezien, steeds inniger en intenser — maar nuchter overdag kon*i zich haar vaak heelemaal niet meer voorstellen.

Ja, dat was een vreemde zomer geweest.

Dan: met Kersttijd had*i zich zóó grenzeloos alleen gevoeld — in Apeldoorn zaten ze heerlijk gezellig onder de mistletoe — dat*i Diederik er over had geschreven. Hoe kwam hij toch zoo eenzaam? Hier in Den Haag schenen ze geen vriendschap te kennen. Ze zagen elkaar op de sportterreinen en gingen veel uit in de stad, maar waren nooit natuurlijk met elkaar. Een Haagsch meisje dat rustig buiten al 't mondaine bloeide, had*i nooit ont* moet. En hij vorschte altijd naar het innerlijke dat alles en een ieder hebben moest, en kon de schijn niet voor het wezen nemen.

Hij was die avond in de rauwe stad; de Poten en het Plein zagen zwart van volk. Caf é's en tingeltangels zaten vol. Geparfumeerde en geschminkte zussen lokten, kwiek gemanteld, coquette hoedjes op, met voorhoofd*lokken haar en zinnelijke gezichtjes. Maar zoo koud, zoo weinig innig. Doch over elven werd het leeger, en tegen twaal* ven begonnen de klokken van de Roomsche kerken te

Sluiten