Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

34

vreemd is, nee, daarentegen heel dierbaar. Wat een won* dere gewaarwording is dat, te schrijven aan één die je haast niet kent en toch goed kent, waar je de nauwste band mee voelt, en die het meest van allen je gedachten in beslag heeft genomen. Van wie je niet hebt durven droomen dat hij je nog eens zou schrijven — en 't lag toch zoo voor de hand! — en dan zoo'n heerlijke, zalige, brief! Jouw brief heeft me erg verblijd. En me gelukkig gemaakt. Ik kan het nog haast niet gelooven; het is zoo plotseling. Diederik had me niks gezegd, maar 'k zag hem vaker; ik zelf ben er met hem over begonnen, over jou, om te vragen wanneer of jij hier weer zou komen..

en... of jij nog wel eens over mij gesproken had...

Toen kwam Diederik los — en toen kwam ik los. Bijna „schepen, die in de nacht elkaar voorbij gegaan zijn", maar gelukkig nog niet!

Ik kan het zoo niet schrijven als jij, wat ik voel. Maar ikvoel het opeens hevig. Lang hield ik het weggeborgen diep in mijn hart, ik wist niet of ik het nog eens noodig

zou hebben: voor jou, of voor een ander maar nu

weet ik het. Ik wil je wel één ding bekennen. In 't eerst was mijn hoofd er vol van, ik dacht de heele dag aan je, en ik schreef aldoor je naam op kleine papiertjes, die ik verkreukelde.

Je hebt niks leelijks tegen mij gedaan hoor, op mijn woord van eer niet, maar ik ben toch blij, dat je dat gevoel gehad hebt. Eén brief heb ik nu van je, fijn, want ik vind het heerlijk een brief van je te krijgen. Uit je heele brief zie ik hoe je van me houdt. Wat weet jij alles nog goed van die tocht! Maar wat je niet schreef, is, dat jij toen mijn fiets bij de berg op hebt gezeuld.

Sluiten