Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

35

Je deed het dadelijk al; thuis laten ze mij altijd maar tobben, en ik vond je een erg aardige jongen. Het zal wel een blouse geweest zijn die ik aan had (gek, „bloes"!). Maar wat jij over mijn heel gewone oogen schrijft, begrijp ik niet. Ik weet wél, dat jij zoo heerlijk gezellig kon vertellen! Maar schrijven doe je nog mooier. Ik vind het zalig het te lezen. Ik kan me je gezicht nog vrij goed voorstellen, al heb ik geen portret, ik herinner me nog best dat het leuk knap is, met mooi haar....

Zoo ging het door, van de hak op de tak, vellen vol. Hij had er heelemaal in gevangen gezeten. Het einde was:

— Schrijf je gauw terug? Denk maar niet te veel aan me, werk flink, jij komt er vast wel. Maar bevredig mij eerst nog met één brief, en wacht ik daarop met groot verlangen. Daag! Een zoen van

je Lien.

Theodorik keek nu uit de verte naar die tijd, zooals een oud man dacht aan de bewaarschool. Levendig trok dat verleden langs hem, als*i zich daar eens voor neer* zette, in een zacht goudlicht. Het was zijn gouden eeuw, het leven dat voorbij was. Die eerste brief van Lien was de allerprettigste gebleven; hij had daarna nog heel wat andere gekregen, even boeiend: Lien had zich beijverd om allerhande nietigheidj es van haar dagelijksch leven uitvoerig te beschrijven, als*i daar naar gevraagd had, en die hem het andere wereld*halfrond hadden open* gesloten, maar soms ook was ze vragen van hem voor* bijgegaan. Hij had daar dan wel altijd een aannemelijke verklaring voor kunnen vinden. Zelf was*i in 't brief* schrijven virtuoos geworden, en in het dichten, makende

Sluiten