Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

40

een bocht gaapte opeens een gat vooruit, remmen, rem* men en er af, en nog net bijtijds lag ik naast de fiets, 'k Had hevig het mier in, al had ik liever dankbaar moe* ten wezen voor de gelegenheid om uit te hijgen, maar 't oponthoud deed m'n kop kriebelen en ik voelde m'n

haren heet worden. Een open brug

Na tergend lang getalm sprong ik opnieuw te fiets en daar ging het in tempo: rang*rang*rang*rang langs zwaaiende, zwenkende stukken land, cirkelpasserende slooten en de door elkaar draaiende stammen van 't buiten bij Schipluiden (ik weet best dat die plaats Over* schie heet, maar ik noem het nou eenmaal zóó) waar de weg altijd opgebroken is en ik totnogtoe ook altijd een lijkkoets tegengekomen ben — zeker een symbool, een voorspelling dat 'k eenmaal zal sterven. Dan suizelde ik het dorp door — het zijn geen dorpen, deze West*Hol* landsche: 't zijn huizen langs de weg, een rustgevende kom, een pleinTnÜet midden, ontbreekt er — haalde de voortf litsende peerdetram in en geraakte langs buurten* in*aanbouw en houtopslagplaatsen de Rottestad binnen. Om nou bij 't Maasstation te belanden was makkelijk ge* nog; ik ree maar raak, zag al gauw de kop van het Witte Huis en volgde een trem met „Oosterkade" er op, en zoo bereikte ik om elf uur de spoor. Mijn plan was sluw uitgedacht: 'k bracht op slag m'n kar naar een berg* plaats, kocht bij gebrek aan beter de Haagsche Post en verschool me op een geschikte plek op het perron achter het uitgespreide blad, na in de vouw een kijknaad te hebben gesneden. De sneltrein zou om 11 uur 37 moeten arriveeren: Tc had nog een groot half uur om bij te komen.

Sluiten