Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

45

We renden door een straat met veel vertier (de naam kon ik zoo gauw niet gewaar worden), waar ik mijn open plekje met slagers*, apothekers* en andere fiets* jonges die dezelfde kant uittrapten moest deelen en me toen min of meer of ik ook zooeen was voelde. Even later wielden we nieuwere wijken in en ik meende te mogen merken, dat we naar 't noordoosten reden. Daar* bij zette de auto meer vaart, wat ik niet bar waardeerde; ik beschouwde dat als de vuurproef en leunde vermoeid voorover, stikkend omtrent in stank en stof, onmiddel* lijk jagend achter de „biel", die een blauwe limousine was met bolle rug, waarin m'n gezicht geel weerspie* gelde, langgerekt en met een bocht als een pisang en on* ophoudelijk grimassen makend als 's avonds het har* monicagetrek op 't rimpelende grachtwater van spiegel* beelden van lantarens op de wal. Zóó zot en bespotte* lijk, dat als ik het nooit tevoren gezien had, ik over mijn stuur zou zijn gegleden van 't lachen.

Plots ging de tuf vaart minderen; ik vloog temet tegen m'n beeltenis op, glipte er krekt langs en vaartte een end door. Omdraaiend zag ik dat de „oto" stopte; ik klampte me aan een paal en loerde: in een oogwenk waren ze er allemaal uit, de chauffeur werd betaald en motorde met de benzinewagen weg; de anderen gingen in huis, ik hoorde de voordeur dichtslaan.

Even voelde ik toen een leegte, een teleurstelling

maar ik had immers precies m'n zin, peinsde ik; daarop bloeide blijdschap over iets ongelooflijks, iets onbereik* baars en tegelijk iets onzégbaars in me: ginds, Line dertig meter van me af! En ik fietste voorzichtig vlak langs het trottoir naar het huis toe, vrijwielend, schoot

Sluiten