Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

49

in de buitenlucht die nog uitgesproken — en haar war* me hand drukte de zijne sterk*levend en diep, verschil* lende keeren, terwijl haar zwarte oogen naar de zijne op lichtten. Hij had gedacht: ziet ze er zóó uit? maar met* een zonder woorden: wat is ze mooi — de snelle gewaar* wording van mooi — en had z'n oogen groot voelen worden, het licht zich verzachten door bewondering.

— Hoe gaat het jóu? had ze warm en gejaagd ge* vraagd, met in de ondergrond een geheimzinnige schroom, die hem verbazend bekoord had en als geko* men uit een rijk donker innerlijk toegeschenen. Eer*i ge* antwoord had — de beteekenis van de vraag was 'em ontgaan — was er een kentering bij haar gekomen. Ze had 'er innerlijk toegedekt, en was geheel uiterlijk, lach en licht, geworden; wel Hef en bezorgd, maar al te vlot gleed haar gesprek, ontankerd aan haar binnenste: Of*i lang gewacht had? zich verveeld? niet boos? en nog veel meer. Hij was te verward geweest om wat te zeg* gen, de antwoorden schichtten door zijn brein, terwijl*! maar wat hoofdschudde en mummelde, terwijl z'n ge* dachte bezig was met de melodie van „verveeld" waarin een i schemerde, en zijn gevoel woelde met niet*begrij* pen. Ten slotte was*i uit zijn stemmingen gestapt als uit een nis, oriënteerde zijn wezen op het hare en paste er zich heelemaal bij aan. Hij was er heel snel in ge* slaagd ook zacht en vlug te praten, wisselend woorden met t'r aan de oppervlakte.

Zoo waren ze het bolwerk overgegaan; hij had 'er fiets willen nemen, maar ze had afgeweerd. Meteen was haar de Maas opgevallen, en geestdriftig wees ze het hem als iets nieuws. Hij had het al gezien, en wou het

BBBBBHS

Sluiten