Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

54

geluidjes aan 't klieteren. Zij, gearmd, hadden de voe* ten zoo zacht mogelijk neergezet om geen gerucht te maken. Hun oogen waren gekluisterd aan het Westers rood: als gloeiden kolen in een haard, een vloed metaal* spijs in de gietton, een stroom van* kokend ijzer, stil* staand. Roetzwart de boerenhoef er onder in een drom linden. Door een luchtig opgestapelde kastanje spran* kelend het vuurvocht oranjig, verschokkend bij elke voetstap. Links was dat alles — rechts had hij Lien. Dezelfde Lien van Rotterdam, was ze hét werkelijk?

Hij had onwillekeurig even op zij gekeken de

lange donkere krullen, (de lósse krullen, omdat hij het

zoo graag gewild had) en haar hals zichtbaar, de

slanke hals zooals die in zijn herinnering was geble*

ven en daar had ze die héél langzaam van hem

weg gedraaid, dat het gezicht naar hem toe kwam, met de donkere oogen wijd*open naar hem, met die lieve tinkeling er in — ze waren blijven staan — en toen had*i met de hand haar nek genomen, onder het haar door, en die vastgehouden, aaiend met de 'andere over haar wangen. Zij had maar stil gelachen, geluk*genie* tend lachen. En toen waren ze met de gezichten samen* gekomen, dat de oogleden nipten met de wimpers aan elkaar, en had hij haar kussen op de lippen gegeven, op de vochtig geplooide lauw*zoete lippen — wat was dat een verrukkelijk*ontstellende ontdekking! — hij róók haar zoete adem! En daarna had*i zich zoo luch* tig prettig gevoeld, en zich z'n oogen weer uitgekeken naar de glorie boven de verre bosschen en duinen van Kennemerland — de zon verdronk in zee er ach* ter, als doodsstrijd stom laaiende geweldigheid de

Sluiten