Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

57

nooit wat hadden kunnen schelen. Met een lachje van geringschatting om de taxeerders had*i 't papiertje al aan Jo teruggegeven om het aan moeder te laten zien, toen hem ineens ontvallen was:

— O, wacht, laat me 't nog even overpennen voor Diederik en voor Lien Eh....

Te laat, er over heen praten zou niet meer geholpen hebben, de scherpe oortjes hadden het al beet.

— O, jij schrijft aan een meisje! Dat weet ik nou ineens! En hij had guitig gekeken met een glansge* zichtje. Toen had4 zelf óók moeten lachen — we moe* ten elkaar geen Mie noemen, was hem doorflitst: Jo was een mensch met onderscheidingsvermogen, zoo goed als*i zelf, een onbedorven mensch, alleen wat jonger — en hem op de knie nemend en strijkend over z'n warm kopje door kort haar, had*i 'm heele» maal in vertrouwen genomen. Een fluim spuwend op de „paedagogie", die het kind als een primitief sub» keltje wenschte beschouwd te zien; terwijl het frissche veelzijdige kind meer en meer menig door opleiding geestelijk mismaakt „opvoedkundige" als onmondig dóór kreeg. Jo had het in vertrouwen nemen naar waarde geschat en geboeid toegeluisterd. Tot slot alleen één dingetje gevraagd:

— Duurt het nog lang dat jullie trouwen?

Hij had toen weer moeten lachen — veel kwam in hem op en dook weer onder — en*i had ineens het antwoord geweten:

— Daar is niks van te zeggen.

Hij had nooit spijt van die openhartigheid gehad; openhartig te zijn tegen elk die het waard was vond

Sluiten