Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

61

hoog gevlogen toenn naar Apeldoren spoorde. Han» gend uit het raampje was*i onderhevig aan een dol dichtstuk dat in hem opgeweld was. Hier hacUi het:

VERRUKKING.

Stormt de D'trein dwars door de velden; Amersfoort's toren in 't grijs achterlatend: Vierkante pilaar, in d' achtergrond zinkend; Op in de oostwind de wagens rollen.

Wolk is de hemel met blauwe plekken; Af en toe daardoor geel licht komt zonnen. Naast langs de trein dan zijn schaduw meevliegt: Raampjes met schotten en bibberende hoofden.

Vóórop hijgt de zwarte kolossus, Uitflappend stoom die dobberend wegdrijft. Boven het weiland laag zwevend zich uitspreidt Dommelende damp over vluchtende veulens.

Buitelen er vogels van telegraafdraden, Als hun de draaikolk komt overvallen. Achter de boomen van Barneveld mee*rent D' oude toren waar Schaffelaar afsprong.

En de klossen zijn aan 't klossen: dawalagiri, dawa*

lagiri,

Zijn aan 't stampen en aan 't stompen, en aan 't

panken en aan 't ponken: Rètete tjienke«tjienkestjonke, rètete tjienke*tjienke*

tjonke.

Sluiten