Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

70

zijn eigen zieleleven, daar doken op het onverwachtst verbeeldingen in op. Hij had eens op de hooizolder gezeten en schreef toen zóó:

November. In het bosch.

Door haar glimglad haar, door haar banen rave* blauw, oliedonker, glans*zwart haar, gleed zon. In zijn kuif vonkte het en sprankte het van sprietjes en draadjes goud en zijn gezicht zag rose in zonlicht. Haar lange, fijne wimpers, zwart, temperden het licht dat glom en gloeide haar oogen uit en haar gezicht over, van brandbleek geel. Zijn rijk*blauwe kijkers licht* lachten jonge vreugde.

De takjes en fijne grintjes van 't pad knitterden.

Dit boogde breed en grijs russchen de groene stam* men door en russchen de mosvelden dorre bladeren door. Boven trillerden het bruin en het brons van beukeblad tegen het mild van het innige, heilige zomerzon*blauw, en de stille spiegelvijver lag vol oranje, gezonken kleuren als kommen ijl perziken* en abrikozenmoes.

Op de oevers stond de gouden herfst. De boschpar* tijen in schakeeringen van zwartrood tot groen, ge* roosterd en gebleekt tot alle tinten geel: groezelig de eiken, en de beukeboomen in een ruim hulsel van schildjes gedegen goud. De eiken, gewrongen van vorm, krullerig bepold; de beuken gebouwd van zachte lijnen, fijn geteekend en uitgewerkt, met de menigte afzonderlijke bladfiguurtjes, uitgedrukt in 't teere geel, vleugeltjes ros en vlekjes roest, als machtige struiken vol ritselende loovertjes goud.

Sluiten