Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

73

„Dat kan toch straks nog wel?" vleit ze met pruil* lip; nu werkend op zijn zelfgevoel: „jij hebt de sleutel en bent nou baas over de tijd!" — en dan met overre* ding: „vader en moeder komen pas laat thuis".

Broer, twee jaar ouder, maar zij is hem twee voor* uit in pienterheid, niks liever willend dan met haar samen zooveel mogelijk uit te buiten deze weken in het Haagsch pension, maar gewend steeds de gevol* gen van de impulsen van z'n zus te overwegen — zij neemt het initiatief, hij reguleert — vindt alleen goed te kiezen of te deelen. „Nou Nid, hier blijven of het strand langs?"

Ze wrijft haar hakken langs elkaar, als om de wre* vel weg te werken, dan blinken haar tanden weer tus* schen de lippen, het prettige bekende heeft het tegen 't onbekende afgelegd: ze zullen naar het strand gaan.

Overstekend met onderbreking voor 't verkeer, valt hun de wandelpier op. Overdiadeemd met gele lichtjes, klein menschengedrom er op in de richting van de rotonde als een gouden kroon, bezet met blanke juwee* len, gloeiend tot in het toppunt. Dan loopen ze langs de ballustrade de noordkant af, Niddy licht trippelend met de huppelbeenen, en als ze de trap af moeten, grijpt ze zich aan zijn arm vast. De donkere leegte in.

Maar over het duin komt de maan gerezen; goud* bronzen plaatsnijwerk van levend licht. Iets groenigs aan het geel: sereen citroenlicht, vanillelicht. Ze loo* pen naar het wit geblaas der golven, die onverhoeds als een blazend dier wit opschuimen voor de duister welvende achtergrond. Vlakbij gekomen, beter kun* nend zien, ook door wat maanlicht, onderscheiden ze

Sluiten