Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

74

er tinten aan. „Jan, indigo!" roept zus ineens met vuur.

Jan staart er naar als naar iets onverklaarbaars, on* oplosbaars. Alsof dit stukje zee het teeken is van het bestaan van vreemde werelden. Nid port hem aan; of hij het niet op indigo vindt lijken? Hij stelt de oogen anders in — lacht, ziet het dofgroen, eerder sucade. Ontstelt weer even. Zouden de menschen alle dingen zóó verschillend zien? Hij heeft wel met elk oog afzonderlijk naar een bloemkleur gekeken, hij schrok daarvan, bang dat één oog niet goed was. En toch zag elk een zuivere mooie kleur, waren zijn kijkers

uiterlijk gelijk Zus vindt het dan eer paars, van

paars fluweel in schaduw. Laten we het dan maar turkoois noemen, lacht Jan, dat is ook heel poëtisch.

In het verre Westen doezelt nog teer rozerood, broos, waar het zachtschemerig geel dat er blijft nahan* gen, kón zijn van blonde bergen ver achter zee, in Engeland.

De kinderen gaan de kustzoom langs, het duister in.

— Nou zie ik ineens dat het tóch kan, huizenhooge golven; als je er van opzij tegenaan kijkt lijken het daken, of tenten, en die geulen er voor, die aldoor dicht rollen, zijn dan de straten, uit Jan opgeruimd, blij met dit bij zus' visie aansluitende inzicht.

Er gaan enkele paartjes schoorvoetend langs het water of staan in zee te staren. Soms naar de maanbol. Zus gluurt naar ze; die al te kinderachtig doen, lacht ze stiekem uit, de anderen tracht ze te beluisteren en vindt ze erg belang#inboezemend. Ze tracht zoo kort mogelijk er toe te naderen; doen ze op eenmaal schich*

Sluiten