Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

78

Zijn gezicht trok één tel wrang van bitterheid, maar hij heeft zich al weer in toom. Hij roept een chocolade* jongen. Buigt zich voorover, lacht alsof het een fijn prettigheidje gold — zus en broer zijn overgestoken. — Wat kost die doos met dat lint? — Tachtig cent meneer. — (Zachter:) Zie je ginder dat jongetje*en* meisje, met dat rose? Loop vlug, en geef dit aan haar, dan is dit voor jou.

Hij kijkt het hollende jochie na, ziet hoe die het meisje op de arm tikt, in zijn richting wijst, hoe zij de

ander ineens loslaat, vreemd kijkend staan blijft

en mengt zich dan snel russchen de menschen.

Theodorik zuchtte van vermoeidheid. Hij dacht dat het wel twalef uur zou zijn; hij keek op z'n horloge: kwart voor twee. Zoo was hij weer in dat verleden opgegaan, zoo was de tijd weer weggevlogen. Hij kon alleen nog leven in die tijd terug; hij had wel hard ge* werkt aan zijn roman, hij had veel kracht gegeven aan zijn weekblad later, hij werkte zelfs goed voor het boekhoud*examen, maar Leven had*i verder nergens meer gevonden. Hij ging naar bed en sliep in twee mi* nuten, zonder te droomen, geestelijk uitgeput.

Sluiten