Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

80

wagen die niet verder ging dan de remise, en stond weer buiten. Het ging beginnen.

Het was er wijd en nachtelijk licht, en zoo gauw de enkele passagiers verdwenen waren in zijlanen — zon* derling hoe snel dat was gebeurd, waar waren ze ge* bleven? — lag de weg leeg onder diepblauwe lucht. Doodstil was het overal, niemand vertoonde zich in straat of tuin; er waren geen geluiden dan een zwak suizen in de verte; bij geen enkele woning kwam lamp* licht door gordijnen of blinden, één lantaarnbol achter een net van twijgen sproeide vuur en deed het lijken op een wijdgespannen spinneweb. Het weelderige he* mellicht, mild neerglijdend uit het bolgele maan* lichaam, dat vulde de straatgeul met witgeel licht. Dat stroomde de dakpannen over, dat vloeide de muren langs en op de grond, en zette gevels en boomkruinen in zacht*heldere schijn.

Zijn stappen klonken daverend op russchen de sla* pende huizen, eerst verschrikt makend, dan de alleene wandelaar — zich nu veilig wanend in de ruime licht* overvloed — verheven stemmend, met het bewustzijn van groote vrijheid en nietige kleinheid in 't alomme heelal. En het was hem heerlijk de versche nachtlucht in te zuigen, die te proeven, te luisteren in de machtige stomme nachtnatuur, te leven onder het geweldige fir* mament met zijn millioenen knitterende lichtpunten, hoe verder van de maan des te meer prikkelend, steke* lend; weerspiegeld in de donkere Vliet die er zwart open lag, waar hij nu aangekomen was en staan bleef op de brug.

Hij kon er zich verlustigen in 't turen naar 't ge*

Sluiten