Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

84

verstoring te weeg, daar rumoerde nog goor allerhande kunstlicht. Het nachtleven koortste er onder. — Rotstad! zei hij harop.

Maar in de hemelen leefde een grootsch muziek* feest; er klonk een teer schellen en tingelen russchen de steeds beter uitkomende wit*, geel*, rood*, groen* en blauw*achtige sterren, elk met haar eigen fijn getint licht: een vuurfestijn, een lichtvreugde, een hemel* hulde, het spontaan jubelen van myriaden lichtprik* kels in goudkristallen toernooien, waar dwars doorheen de grijze melkweg vlekte.

Daar verschoot een ster! Een diep vuurspoor, rood* achtig, was nog even gebleven en nu weg, gezonken, gebluscht. Kort daarop volgden enkele andere, door* kruisend het gewelf; één heel mooie boogde snel met glijdende val naar het Noorden neer, openbloeiend als een kelk, waarna de lange lichtsleep bruin wegzonk.

Hij spoedde zich dan naar de viaduct, vanwaar hij 't hemelpanorama onbelemmerd kon beschouwen. Zon* der zich rekenschap te geven van de figuren en hun namen, liet hij z'n oogen er over dwalen. Daar stond al een geweldige. Kalm, zelfbewust*rustig, koel, maar met de bezielde gloed van de bliksem, goot in het Westen een stalen staaf een almachtige schijn over het groenige land uit: okergele lichtkokkerd, knokkel van levend geel, geelmetalen blok, glad als ijs en sterk als ijzer, staande als hemelheerscher vol gele glorie in 't opperste Oosten, als nachtkoning van het uitspansel in een harnas van electron. Die trok de blikken telkens tot zich.

Weer sneed een vuurstreep met ijlende vaart door

Sluiten