Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

90

ontdaan, 't Was of een stralenbundel op het zeevlak stond, een vreemd*heldere kolom, die spook*licht in de diepte doordrong. Het zal toen al heel laat geweest zijn, doch hij zag het als bij dag. Als een straat witte paleizen strekte zich de bovenbouw van een scheeflig* gend passagiersschip uit, de romp in de grond gewoeld en twee ontzaggelijke gele schoorsteenen haast horizon* taal. En op de bovenkant blokten duidelijk geschilderde Nederlandsche vlaggen gebaand, en in mansgroote let* ters lag leesbaar:

TUBANTIA — AMSTERDAM.

— Die ligt hier al verscheidene jaren, hoorde hij de stem zeggen, een herinnering aan de laatste oorlog bij jullie. En na even zwijgen ging de begeleider door, be* drukt voorspellend:

— Na lange tijden, over honderden jaren pas mis* schien, als jouw maatschappij wat beter is geworden, zullen de menschen ze ophalen. Dan zullen bij het naar wal sleepen velen ontroeren om dit overblijfsel uit de tijdperken van moedwillige vernieling.

Theodorik kon zijn aandoening bijna niet bedwingen. Hij zag het tafreel vóór zich: hoe ouderen verwonderd zouden staren, en kinderen bang worden voor het mis* vormde monster, het afschuwelijk kadaver van een vroeger zeepaleis, en gaan schreien. En hij kreeg groot medelijden met het menschdom.

Nu trokken ze weer verder het westen in. In Enge* land was het avond. Maar mist, en toefden er niet. Ze weken naar het zuidwesten over het Kanaal, steeds nog blijvend in het laatste licht van de zon, in schemer. Be* rieden dampten booten zwijgend naar hun doel: met

RHBfl

Sluiten