Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

115

stond. Van Babel's torenbouw verhief zich één roten* de, een hooge ronde borstplaat van gesteente, een kwartier gaans groot. De overbeschaving — onder* gaande in verwildering. Nog altijd hang naar 't oude stamland: meermalen merkte hij wel karavanen onder zich, in stofwolken russchen de boschjes, oostwaarts gaande.

Weer zonsopgang, maar 't werd nu wel een warreling

van volksverhuizen, oorlogvoeren, krijgsrumoer

Christus was geboren, het aantal kerken groeide hard, het Christendom werd machtig, door 't zwaard ver* breid. Overal klonken de jammerkreten op, braakten de vlammen uit. Theodorik stikte bijkans in de rook: de hemel werd onzichtbaar. Het eene na het andere land geestelijk pierdood — de nog bestaanden telkens met de dommekrachten op elkanders borst. Er op of er onder — allemaal er onder. Giftige dampen bena* men haast de adem; aldoor werd er losgebrand, nu hier, dan daar, ten slotte overal tegelijk. De atmosfeer werd wolken rood vuur, en dan het rammeien en kra* ken — het gillen en ineenstorten. Theodorik voelde de kogels op zich aanfluiten en heet langs zich slaan, hij sprong opgelucht hooger om dit keer nog in leven te zijn gebleven, dat was een zeldzaam verheugende ge* waarwording — maar meteen barstten met schel licht vitrioolbommen uiteen, boven een stad, en bij dat schijnsel zag hij een domtoren omdonderen in een kerk vol volk — de aarde beefde, de grond begon te golven, bombardement van ontploffingen, een vuur* golf sloeg op tot in de hemel, daar ging God's boel

Theodorik schrok wakker vóór zijn bed. Jo hamer*

Sluiten