Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

129

wereld woonde een meisje dat op hem wachtte. Dat jarenlang al lichaam en ziel ongerept hield en verzorgde voor hém. Als hij zich ook gaaf hield zou ze zeker komen. Ze kwam zéker! ze wist het zéker!

Ondanks zichzelf werd het hem licht en hoopvol, met ongeloovig spotlachen er door heen en stille aandoening. Krachtig stond hij op, lang en warm»hartelijk schuddend hun de hand. Ze lachten vroolijk alle drie. Ja, tot ziens natuurlijk! Die Welt war nur klein!

Het was aan 't vriezen en hij wilde nog een middag ijsrijden eer*i zich in 't nieuwe leven dompelde. Toen ging hij het noordoosten op, door de blank»lichtende sneeuwvelden voort: ijs vol groeven en scheuren, krab* ben en schrammen, meest met vastgetreden schraapsel vol. Vooroverhangend laveerde hij er over in zijn dikke duffel, met zwaar armgeslinger en zwaaiingen van zijn stok, zonder naar rissen woestelingen te kijken die met forsche strekkingen voorbij kraakten, dat het zoo rom» melde van onderen en de kanten waarschuwden. Soms schoten nieuwe scheuren door het vlak, als aders dwars door de 'andere, of pepte water door een spongat op. Het ijs lag grijsblauw voor hem uit, scherp glommen kras» sen, als gesneden en glad uitgevijld, in 't zonlicht.

Hij kwam nu zoo ver dat er haast geen mensch meer reed, het was nog maar een smalle sloot, hij remde knar* sendmet de rechter hiel, en keerde met een ruk. Vóór hem scheen de zon op 't ijs — in de bochten en waar zijsloo* ten moesten zijn waren stijve gestalten in de witte velden aan 't laveeren, schoonrijden, gestrekt blijvend scheefgaande of ze met de neus in de grond wilden

9

Sluiten