Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

132

droogde russchen om en sjorden ze vast op hun slee. Nu alleen konden ze die bereiken. Een ander kapte met

de bijl een buts in 't ijs: dit schilferde, het spleet dof

hakte de bijl een bijt, en spoedig krioelde het van vis* schen: een happen van bekken, een slaan met staart* vinnen, het schrikken en schokken van grijze ruggen, waaromheen het geklis en geklieter van scholen stekel* tjes spetterde. De grootste werden gegrepen en in een zak gestopt, die aldoor rukte: ze spartelden dood, de bleien en brasems in zilveren maliënkolder, de blank* vorens, de goedige groene zeelt, de karperachtige ser* peling, de zachtroode riet* of ruischvoorn, en ook venij* nig*gestekelde jonge baarzen, waarvan de kieuwen da* delijk toekleefden — die verstijfden in stuiptrekkings* kramp. •

En een glibberaal kreeg een driedubbele hersenschud* ding door een slag met de klomp — hij krieuwelde er onder uit vol slijm — werd met de nagels gestroopt en gekerfd, en toen beet de man hem de kop af. Na deze te hebben uitgespogen, deed hij de vroolijke aal in de zak, wat daarbinnen een benauwde beroering tot ge* volg had, en zei ter verklaring:

— Anders kruipt dat kreng er nóg doorheen.

Zoo was de dag niet mooi voor iedereen

Teruggaand, toen de rose zon snel in het witte wei* land zakte, vond hij het landleven toch veel groot* scher gewaarwordingen geven dan de stad. Hij wou nog niet in een betrekking duiken, hij zou eerst nog eens buiten kijken bij Oom*Chef.

Sluiten