Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zoodra het ijs afdoend verdwenen was, zat Theodo* rik in de D naar Oom. Hij had de D genomen om er nog eens tempo in te hebben, zich herinnerend dat dat grootsch was; wanneer was dat ook weer geweest, die bezielende rit? o ja, toen naar Lien. Maar zag nou die hei es voorbijschuiven, wat ging dat toch beroerd lang* zaam, veel tammer als bij een motorrit. Vóór Apeldoren werd er moeizaam tegen de hoogte opgetornd, of men

het niet zou halen Na 't stoppen scheen er even

gang in te zullen komen, maar 't was al vlak bij Oom's station. De trein vertraagde, stónd — hij sprong er uit aan de kant waar het station niet was, meteen zag hij het sein op veilig wippen en de wagensleep zwaar opge* trokken worden.

Een herculische gestalte in rood en goud verwelkomde hem onbeweeglijk. Pimbo, kende hem Theodorik: op Oom's bevel bij iedere trein aanwezig, met géén andere opdracht dan aanwezig te zijn: uit hoofde van zijn ambt ter plaatse. Hij wist dat Oom als normaal geval on* spreekbaar was, verdiept in spoorwegkundige studiën; een klerkje deed het ordinaire werk. Hij ging de trap op naar de bovenwoning — Annetje haastte zich er bij neer om hem een hand te geven en hem zijn reismand af te nemen. Ze was niet veel veranderd sinds de laatste keer dat*i hier was geweest: langer geworden, nog bleek en smal, maar de blauwe oogen wel zacht gezond. Ze

Sluiten