Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

141

De voornachten was hij weer in de middeleeuwen.

Dat waren tijden van gespannen leven geweest, waar elk verschijnsel was een uiting vóór een ontzaggelijke achtergrond. Liep men nü nuchter buiten, dan stond alles op zichzelf, klein en stumperig in de oneindigheid en eeuwigheid. Tóen had men alles als uitspruitsels van datgene grootsche dat het heelal geheel moest vullen gezien. Toen had alles waarde als uitwas van het eeu* wige; nu was alles waardeloos als heelemaal los daar* van. Nü was een gek een ordinaire zenuwlijder — al waren er ook kostelijke geesten die zóó verbazend al* omvattend*titanisch spiritueel waren dat ze er niet uit los konden komen en de burgerij ze naar gestichten bracht — tóen was in elk krankzinnige een demon ge* varen, en werd die daarom 's Zondags na de mis in een kooi met tralies door de kerkgangers getergd. Men had wel medelijden met de man of vrouw, maar 't treiteren van de demon gaf een opwinding die dat ver overgolf de. Het waren eeuwen geweest als kinderjaren: met enge horizon en wijde fantazieën.

Of dat hij zat te staren in de witte schijn die uit het leven van mystieke vrouwen steeg. Die zich hadden opgedragen in afzondering te streven naar volkomen* heid. Met welke moeiten die zich losmaakten van het aardsch bestaan. Zoo dacht hij zich weg in het leven van de koninginnen Radegonde, Mathilde en Clothilde, en in dat van de abdes Lioba. Hij maakte mee de zelf* opoffering van Clara van Assisi,"Agnes van Bohemen, Hedwig van Silezië, en nog anderen — en onderwijl was al het wereldsche van hem afgegleden, werd zijn ziel zuiver en ontijdelijk.

Sluiten