Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

142

Maar las hij dan van haar, die haar verloving jong verbrak en introk in een klooster, in steenen kluis die nimmer werd verwarmd en waar ze dagelijks stierf, haar lichaam één gezwel, waar larven uit de etterende won* den kropen, en viel er een af dan zette ze die er zelf weer op.... dan kreeg hij, na de afschuw, twijfel om dat nergens voor gediend hebbend bestaan. Maar bleef daarna geroerd, en in diep peinzen op zóó groot ver* trouwen op wat komen zou.

Wat was het wonder toen nauw met het alledaagsche samengeweven! De hostie, nü alleen nog maar van in* vloed in de kerk, hoe had die tóen de menschen niet beheerscht daarbuiten! Het klonk hem als een mogelijk* heid die 't tegenwoordig leven van 't materialisme kon bevrijden, zoo heerlijk kinderlijk wonderlijk was het ge* weest. Hoe men wel de gewijde ouwel in een bijenkorf had gebracht voor grooter opbrengst — de bijen zongen dan, als bewust van de aanwezigheid van 't heilige. Hoe wel de hostie in de mond van een superieur mensch in een juweel veranderd was. En groote indruk maakte het op hem: dat een meisje, om liefde op te wekken, een hostie in de mond genomen had en zóó haar aange* bedene hartstochtelijk gekust.

Wat hem het diepste trof, was het gaan bloeden van de hostie, van Christus' getransfigureerd lichaam. In uiterste wraak staken de Joden met een mes er in tot bloed verscheen, wanneer ze om hun woekeren tot aan hun eigen wijk werden vervolgd. Grootsch*duideUjk doemde voor hem op het middeleeuwsche Praag, zooals hij er was rondgevoerd door Gustav Meyrink in Der Golem: de sombere donkere krotgangen in het om*

Sluiten