Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

155

appels leeg zitten pikken russchen twee gloeiende loco* motievenl

Toch hield mijn broer ook veel van snelle ritten. Snel* heid was eigelijk niet noodig, maar meer gerammel en geraas. Dan bonsde zijn borst van zaligheid. Ik herin* ner me nog die éénige keer, de eenigste keer ook (mijn broer moest toen een dag voor zaken naar een instituut voor hersenonderzoek en ik verving hem), dat we na antoeziaste tocht — ol we waren gesneld in bogen voor*

uit, met schokken en sprongen geschoten naar voren

de telegraafpalen bezemden als ragebollen, vegend in

strooken webben, voorbij: hoog*laag, hoog*laag hol

klonk het geraas tegen een naderend bosch — blok! —

sloeg daar een wachtpost voorbij dat we een empla*

cement op slingerden, dansend over de wissels met ploffen, aldoor het kantelen nü denkend te komen, en toen broer (of was ik het zelf?) een handvol gedichten naar buiten wierp, naar de roode schijf op het hoofd van de chef — gestort op papier op de rit door het woud, onze doodenrit.... Broer is toen immers gestorven? Of was hij het die

later gewoond heeft te A in het niet meer gebruikte

seinhuis aan 't eind van 't perron, villa „de Stilte"? En die in zijn tuin een oude staatsspoormachine had staan, zooals anderen een tuinbeeld? Ik weet het niet goed meer. Of was ik dat zelf? — Nee, maar dat kan niet, in mijn tuin staat een oude sleepboot in het gras, de „Hal*

lucinatie" geloof ik. Kijk maar: in het perk midden

in de zonnebloemen.

Hopende aldus aan uw weetgierigheid voldaan te heb*

Sluiten