Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

163

rood fluweel, in verdiepingen, met gouden kwasten er op afhangend, gedragen door vier olifanten. Op de eerste verdieping, een toegedekte loge, stonden op de hoeken mummies — de bovenste was open als de kampanje van een stoomer, gevuld met ganzen, geïrriteerd hun lange halzen*en*koppen aan 't gaggelen over de rand — en middenin stond Oom aan 't stuurrad, de blik gericht op het beginpunt van de stoet, 't Gevaarte werd om« stuwd en achtervolgd door horden fel tierend janhagel, met valsche drank*oogen en rooie dassen, joelend, hoo* nend, vloekend, en Oom dreigend — hem uitdagend van z'n hoogte af te komen, treiterend hem met de vuil* ste scheldwoorden, vuisten en messen naar hem opste* kend, zwerende hem te zullen villen!! En rustig als een scheepskapitein, uitziend ver over het water en het lage land, niets merkend van de drukte van de passagiers aan boord beneden hem, voer Oom daar in de hoogte heen. Terwijl het schorem houten aanstak en Oom's kasteel in brand wou steken.

Het einde van de optocht was er dan meteen: een kalme man die in een kruiwagen een rechtop staande ooievaar voortreed. Een boerejongen volgde op een af* stand steenen gooiend; één raakte er 's mans pet, die afviel in de kruiwagen. Waarop de vogel deed als een mechaniek bij 't raken in een schiettent:

„ Aaa wakkewakkewakkewakkewakkewak."

Maar dit bleek er ook nog bij te hooren, want daar was het werkelijke eind: een troep dikke slagers, met bloote sabels hangend op hun buik, liep in een halve kring te provoceeren, dé handen op de rug, houdend

Sluiten