Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ze waren met een van de laatste trems naar Duinoord gegaan en liepen nu naar het Stille strand. Zij drieën, met wat bagage, dragende rugzakken, en capen over de arm. De wereld stond overeind in steen: holle straten met alleen lanen lantarenkoppen er in. Hun hakken klakkend op de klinkers metaal, schokkend klank .tegen de gevels op. Hun schaduwen vegend telkens over de muren: of een stel logge beren ineens opkwam en weg* schreed naar voren, diep weg, als de wiek van een molen achter een hoogte, 't Was middernacht.

Daar waren de huizen voorbij, vaal joeg het licht van de Scheveningsche vuurtoren over het zand, en weer, en weer.... ginds rechts stond de draaiende lichtkop — en vlak vooruit was de zee te hooren, te zien: onder donkere lucht was overal blauwachtig welven, licht* streepjes die rekten en krompen. Zij drieën gingen

over het kanaal luider en luider ruischte het, duide*

lijker werd de zee, nu al blauwig zichtbaar met grijs de schuimgolven er op. Dan: waren ze op de hoek van de duinrij, lag daar de zwartblauwe vlakte wijduit, met één lang geraas, met in de ondergrond gedempt gedon* der, dof beuken en bonken, de botsing van de water»

Sluiten