Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

168

smakken met de bank, tegen de glooiende bodem. Op zee, ver in 't zuidwesten, rekte een intens electrisch schijnen zich uit en ging weer ineen en weg: Theodorik wist: het vuurschip Maas, een plomp en dof zwartrood spookschip, dat veertien kilometer vóór de Nieuwe Waterweg lag. Ze daalden naar het strand; wind vleu= gelde hun om 't gezicht; russchen de wolkvachten hoog* boven tinkelde in diepblauwe fjorden een enkele ster.

Zij naderden de schuimrand. Uit de Noordzee klonk zwaar gesis, het welfde en het heuvelde er maar uit aan. Dan kwam het omplompen, het storten, het openplooien met welige waterzwaai, en uitglijden in witte woeste rollers* — dat geekblauw schitterend schuim voortstoof, in vlugge volgingen van slierten, waarna de overspoeling er was en het beplassen van de kust met knisterend zeepsop. Dat schuim stond op, in lange bogen, tot torens geklopt eiwit, huiverend en lillend onder het slinken, en dan goor afstervend en wegvlokkend. Er achter, onderaan de helling, was de worsteling van nieuwe waterbuien met het terug*rivierend vorig water.

Na even zwijgend staan te zijn gebleven, gingen ze nu de kustlijn langs. Een rij zacht*roode lichten viel hun op, toplichten van een visschersvloot wellicht, maar hun dichtbijszijn of veraf*zijn viel onmogelijk te bepalen. Zij drieën liepen in het donker voort, niets ziende van de weg recht vóór hun, niets van zijn lengte wetende. In* eens schrokken ze: voor hun uit waren gehurkte licha*

men opgesprongen en weggevluchtl 't Bleken hun

eigen lichamen geweest te zijn, afgeteekend tegen (de palissadeering op een dam over de breedte van het strand, opschokkend bij elke flap van de vuurtoren ach*

Sluiten