Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

169

ter hun. In de seconde dat dit licht langs de palen ijlde moesten ze kort*en*snel waarnemen, het terrein ver* kennen. Annetje, wel eens gelezen hebbend van drijf* zand, wou dat ze de hooge kant bij de duinen hielden, ze deden het, maar later vonden ze zich weer vlak bij de zee terug. Zij liep in 't midden; ze hielpen haar bij 4e dammen op en russchen de palen door. Zoo ging het voort.

Op eenmaal zagen ze een lang voorwerp in 't water toen de lichtflap er over vloog; was 't een gezonken roeiboot? wat het een kist? een doodkist? Ze konden 't niet gewaar worden en moesten verder — Annetje werd wat bang. Ze praatten haast niet met elkaar; Oom had een sigaar opgestoken; Theodorik begon de sfeer bekorend te vinden, wat angstig onbekend, haUucinaties wekkend! Nu waren alle menschen dood, zij drieën nog •de eenig overlevenden op aarde. Vandaag waren ze nog -de winkels binnengegaan — het was vandaag de eerste doodendag geweest — overal hadden de lijken in de luizen gelegen. Het was te akelig: geen woning waar geen lijken in de kamers rechtop zaten — zij konden ze onmogelijk begraven. Daarom Hepen ze nu

weg: altijd verder, altijd voort ze hoefden nooit

terug te keeren. Ging het daar niet naast zijn oor als 't suizen van een open gaskraan? Liep hij niet door een hooge zwarte laan waar drupcomplexen uit de boomen vielen? Waar oogen door de takken naar hem keken? En aüe Hchten uit! Hoorde hij daar achter zich hijgen? Daar waren voetploffen achter hem! ja! naakten kwa* men op bloote voeten op hem aanrennen! Goeles, met slaande kaken geraamten in een bruine leerhuid met

Sluiten