Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

170

woest zwart haar en uitstaande oorlappen, met lange nagels aan vingers en teenen, licht snellende renners en hijgers, lijkenseters, schriksaanjagers voor de levenden door 't grijpen met de koude vingerkootjes in de nek!. Oe! een koude tocht ging door het heete van z'n nek*

haren, angst kneep in z'n rug

Oe! — daar stonden ze ineens alle drie stokstijf. Op twintig meter vóór hun, in de lichtflap, hadden ineens twee bleeke mannen gestaan. Ook op de plaats gekluis* terd. Oe! daar waren ze weer, geweldige lichamen, dich* ter bij!.... daar stonden ze in eens in het duister voor hun, enkele meters van hun af! Met zak en bamboe, zag Theodorik meteen, „strandjutters" flitste door zijn hoofd, en „goeie navónd!" uitte hij gelijktijdig met nog verschrikte stem. Hij hoorde grauwen op een lage toon, verstond het instinctief, en zei met kloeke stem terug: „Naar de Hoek!" Weer was er een gegrom — hij voelde dat de andere man sluik achter de eene gleed en dat ze voorbij gingen — en zei dan nog krachtig=gemoedelijk: „Goein dag!"

Onder 't doorgaan stelde hij Annetje en Oom gerust — Oom was onder de indruk van zijn zorgeloosheid om geen stok of wapen mee te hebben genomen — en moest dan lachen om z'n eigen verbouwereerdheid van eerst te groeten „goeien avond" en daarna „goeien dag". Hoe laat was 't?

Oom keek op het horloge bij het licht van zijn sigaar.. tien over één. Ze moesten op de hoogte van Kijkduin zijn.

Ter afleiding gingen ze nu de afstand tusschen twee dammen met passen meten. Het waren er bij de twee*

Sluiten