Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

172

schreeuw, en Oom en Theodorik sprongen weg: ze ston* den in een kuil met water. Hun voeten waren klets — „maar niet lang' rusten, zei Oom, straks des te harder stampen!" De slaap werd nu bestreden met eten: bij 't zitten op de halve palen russchen heele kwam de slaap aan als een overweldiging; de rugzakken leverden voed* sel op, dat gretig werd verslonden, dat pas gedetermi* neerd kon worden in de mond. Wanneer ze met lichte duizeling de dam weer af gingen, moest 't haast half drie zijn. Ze keken of 't nog niet begon te dagen, maar 't oosten en noordoosten werden door de duinen afge* dekt. Aldoor als ze weer naar het water waren afge* zakt, leken de duinen ver af en of ze lang werk zouden hebben ze weer te bereiken. Liepen ze er daarna schuin naar toe, dan waren ze er dadelijk.

Twee uur 40. Theodorik dacht dat het eensklaps don* kerder geworden was. Oom merkte niets en gaf het woedende gecirkel van de Hoek de schuld. Het schijnsel van de Scheveningsche toren werd maar zwak meer in de lucht geworpen. Zijn schelle lichtkop was nog scherp* geel aan het werken. IJmuiden was er nog als keer op keer een bolle lichtnevel.

Kwart voor drie. Nu zagen ze het allemaal: 't was Ijch* ter. Scheef boven hun stond een vreemd*heldere kolom, zonder bewegen. Ze konden het niet verklaren. Dan brak de lichtzuil plotseling af, en vertoonde zich niet meer. Was het een zoeklicht? Zocht men hen?

Onmiddellijk daarna stieten ze op een lage krib. An* netje had erge moeë beenen, ze vroeg te rusten. Op bos* sen rijshout strekten ze zich uit, gerold in capen, liggend op de rug met wijdopen oogen schouwend in de hemel;

Sluiten