Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

173

de wolken waren er vaneengescheurd en strenge sterren stonden in cobalt. De branding tierde met één lang ge* ruisch, aankomend, aanzwellend voller en breeder; voor*

bijgaand, verder gaande er werd alweer opnieuw

gestort, er volgde een golf die net zoo aankwam, die net weer zoo de kust langs ging, en weer, en weer. Ten slotte vloeide 't allemaal ineen in hun gehoor.... het

suisde in hun ooren.... ze soesden moe*warm in

zoo moest het Poolreizigers vergaan, die, vermand van matheid, gingen zitten en dan voor eeuwig insliepen, zóó zalig zacht. Verdrinken moest een dergelijke be* dwelming zijn, voelde Theodorik.

Maar tocht kwam aansluipen, héél kleine huiverwind* jes, kil kriebelend in de kraag. Wat zuchtte het op 't water, was in de lucht veel vocht? En: was dat niet net, of er een kipkartrein schuurde over rails, in 't stille land der menschen achter deze duinen? Der dóóde men* schen!

— Ik hoor geklop, zei Annetje opeens geschrokken: en zwaar rijden met paardegetrappel!

— Ik zweet als een bezetene, zei Oom gesmoord. Dan was de stilte weer over hun.

Plotseling stond hun hart stil van schrik. Vlakbij, als zaten ze op de drempel, had een slag van een torenklok geklonken, een lichte belslag, en volgden er nog twee, en galmden uit. Ontzet keken ze tegen het vaalduistere

duin op tot Theodorik eensklaps uitte: „Terheide!"

Ze hadden zich ver van het land der menschen af

gewaand, en nu bleek dit zoo dicht bij te zijn Ont*

nuchtering brak door de ontroering heen bij hem. Ineens verhief Oom zich. Hij breidde de armen uit, wijzend

Sluiten