Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

175

Twintig over drie. Was dat een vogel achter 't vale duin, dat gewieuw? 't Leek of daar hooge schooven

stonden in het grijs en ineens boven de achtergrond

twee gestalten. Nu klonk er roepen, aanroepen. Ze hiel* den stil, het schenen mannen, Theodorik besloot er heen te gaan. In een oogenblik was hij halfweg de duinhei» ling. Het bleek een man te zijn naast een schilderhuis, die naar de tijd vroeg. Hij was zoo beroerd koud, zei hij, hij had de wacht bij een kolossus van een kraan om materialen voor de dijken aan te voeren, en 't duurde nog zóó lang tot 't morgen werd! Inlichtingen wist hij niet te geven, maar de beschaving was vlak bij: Theo* dorik zag het heele Westland vol electrische lampen, en naar het zuiden de vuurflap van de toren en een rek vol roode lichten.

Teruggekomen bij de anderen, hadden die het kil. Hij durfde Annetje een spoedig einde van de tocht voor* spellen, ze zouden aanstonds onverwachts het dorp wel zien. Oom meende dat het geleidelijk*aan verschijnen zou.

Weer voort de marsch. Na eenige tijd passeerden ze een zwart gevaarte, 't Was een sloep, aan lange ketting vastgeankerd. Zij waren dus niet de eerste wezens die deze kust bezochten.

Kwart voor vier. De rosse lichten zagen ze eensklaps ver in zee. De acht*en*dertigste dam zouden ze over* klimmen sinds hun vertrek. De duisternis werd minder. Daar lag nog een partij rotsblokken — ze gingen er bij

op, ze hadden elkaar bij de hand en waren boven, en

„hèèèèè!?" uitten ze alle drie tegelijkertijd: vóór hun voeten verschoof de zwarte grond, ze keken er naar

Sluiten