Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

177

hooger was ook overal lamplicht met veel zwart er tus* schen; machines ronfelden gedempt. Dan klonken hard

electrische schellen het machineeren nam druk toe,

gerommel als van een lichte donderbui.... er kwam zwaar bruisen.... de lichtverzameling was hun dan voorbij: zwaar ging het bonzen van de schroef: de boot moest in ballast zijn. Direct daarna kwam de nagolf aanrammeien op de pier, het smakte en het spatte, het water ging een poos verschrikkelijk te keer. Allengs verstilde het; één lichtje in de hoogte wees de boot nog aan, 't gebons nam af. Ze hoorden nu de zee weer razen.

Ze werden akelig koud. Toch wou Annetje even zit* ten, maar Oom verbood dat. Hij deelde koeken uit: ze moesten eten om niet te klappertanden, kauwen om niet te geeuwen! De leden wringen om op temperatuur te blijven — wie stil zat werd bewusteloos! De morgenkou kwam en de natte nevel, 't weer werd heiig, de lichten van de bakens werden bleek. Oom had een middel. Ze gaven elkaar de hand en vormden een kring, gingen op een drafje sukkelen om een paal, zingend „in Holland staat een huis" en stampend met de voeten. Zoo deden ze een poos, 't ging almaar lammer en ellendiger, maar ze hielden er beweging in. De route waar ze langs ge« komen waren begon zich ondertusschen flauwtjes af te teekenen, een onwezenlijke duinboog, kil en kaal en troosteloos onherbergzaam. Waren zij daar langs geloo* pen? Dat eentonige nare eind? 't Was dwaas en onge* loof lijk. 't Horloge wees vier uur.

Op dat moment bemerkte Oom een vaartuig aan een steiger, niet heel ver van het rek met roode lichten. Een zeventiende*eeuwsch zeeschip. Hij herkende 't als voor

12

Sluiten