Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

178

hém bestemd: toevallig had*i een kiek van zoo'n ding onder de oogen gekregen dat nog of weer bestond, en het gehuurd. Dit was het. „Gauw er heen, en Annetje naar bed!" Daar hompelden ze gedrieën met de zeere voeten over de steenstukken van de dam, tusschen spoorrails die er nu vielen te onderscheiden, hoopvol landwaarts, naar de steiger, 't Schip was nog lang niet duidelijk zicht* baar, maar wel de rare vorm: de spitse boeg, de ra's aan de masten, het hooge achterschip. Ze moesten doorloo* pen en stijgen tot aan de groote roode lichten — er stond een uitkijkhuis bij met een man er in — en dan de lange smalle hooge steiger over die de rivier in ging. Dan moesten ze bij een soort ladder neer, en kwamen zoo aan boord. Een wachtmatroos begroette hun in 't Engelsen, hij zou de kapitein waarschuwen en geleidde hun naar de voorplecht, naar een kajuit, waar ze een trap afgingen en in een salonnetje kwamen. In fijn kristallen kronen aan de zoldering gloeide licht, in 't midden hing een tafeltje dat altijd horizontaal bleef, een teere groene plarit er boven, in 't rond waren rood* fluweelen banken met ruggesteunsels, en in twee wan* den ronde ruiten van dik glas waartegen het groenige water klotste. Er was een heele kleine deining in het schip; zachtjes bewogen de lang afhangende armen van de groene plant. Ze hadden hun bagage afgelegd en zaten moe te kijken.

Daar kwam de kapitein zich presenteeren: een lange sterke kerel, bruin van kleur, met fonkelend zwarte

oogen van prachtig Keltisch ras. Hij was tot Oom's

beschikking, en klaar om uit te varen. Hij stond in glim* mend*gele oliejas, had een zuidwester onder de arm en

Sluiten