Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

180

't noorden. Het kon vandaag wel 119 decimeter worden. Dan zouden ze een zware dobber hebben en lang werk naar de Wodansbank: in de richting van de Doggers* bank, recht naar 't noordwesten! Ze zouden er niet vóór morgenochtend komen.

't Was kwart voor vijf geworden toen de Vomano — dat stond op alle reddingsboeien en op de witte sloepen onder roodbruin zeil — naar het midden van de stroom afdreef. De zon steeg uit het land, de hemel in 't noord* oosten was een stapeling van purperen wolkjes, een grillig licht sloeg over de duinrand en het strand. Er stond een zware torenklomp kort aan de kust in zee te staren — Theodorik meende: Monster; die moest het sneuvelen van Tromp nog wel gezien hebben; en verder weg de toren van de Delftsche waterleiding ten zui* den van Loosduinen. Zelfs meende lüj in nevel de anten* nes van de Scheveningsche draadlooze te zien. Daar gleed het lange leege strand voorbij, alleen wat kramen en badkoetsjes tegen het duin. Twee vroege baders kwamen kleintjes aanhollen, misschien kampeerders. Daar was de pier al niet meer langs het strand — aan beide kanten water. Wat vreeselijk groen was toch de zee! wat schel verlicht de Waterweg! Het heele Oosten was nu rood, tot in de hoogste hemel gloriënd; de don* ker*gloeiende zon rees er in op.Al 't waterwas verschrik* kelijk lichtend groen, woest golvend en wild schijnend schuimend; wat stond er wind! Het stuwde maar al op naar land buiten de Noorderpier, als rijen paarden met witte manen in opeenvolging, naast en achter elkaar, dammen van zee, waterbergen, die kwamen aanzeilen, met koppen, met kammen schuim, die aan de randen

Sluiten