Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

181

omkrulden, en dan heelemaal omplompten tegen de onder*water«voorposten van de pier, dat het over de dam heen brieschte, hoog in een lichtstander op spoot, en over de palen heen de Waterweg in fladderde. Dan gulpte 't witte sop naar de rivier toe weg en werd het groezelig groen weer zichtbaar, tot dadelijk er na een nieuwe vlaag aankwam. Er stond een man op een blok steen in waterkleeding met een zeehengel; er deinden meeuwen, sterntjes, grutto's warrelend boven een kron* kelige gelige waterbaan, aldoor wieuwend en duikend, en dan scherend weg met een stijve gladwitte spiering in de snavel — een zielig gezicht, zoo'n hulpeloos stijf beestje in een vogelbek door de lucht, vond hij — in de richting van Rozenburg: duintjes met laag gegroei en een ingevallen huis. Er achter zag hij de witte badgebouwen van Oostvoorne en een lang bosch; naar het zuidoosten de grauwe Catharinatoren van Den Briel. En overal het water welvend, heuvelend, lichtend groen, lichtplassend tegen 't rose Oosten.

De pier liep nu ten einde, onder lawines groen en schuim, twee roode ijzeren stellages staken er hoog uit, de zee stoof er in op. Hij merkte nu pas hoe het schip te keer ging: de boeg plompend in diepe kuilen, en dan weer opgeheven wordend tot op de top van een steile waterberg. Hij werd er bijna angstig van.... daar

gleed de boeg weer in een dal een zeeheuvel, hoog

als een muur, stond er recht voor viel vlak op de

boeg voorover, hij was heelemaal onder daar kwam

hij er weer boven uit, al 't water stroomde er langs de zijden af. De boegspriet wees nü in de verre blauwe Jucht, nü in de waterwijdte de heele horizon ging

Sluiten