Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

188

bewogen, bijna liggend in het watervlak en nauwelijks er over scherend. De schepen moesten zwaar bemand zijn — was 't wel een koopvaardijvloot? Ze kwam snel op de haven aan. Men werd bevreesd, men sloot ijlings de poorten. Verdrong zich op de wallen om te zien, men haalde wapentuig. De zon scheen schril op 't schitte* rende water. Daar zag men, hoe rijen rompen de rie* men aan 't bewegen waren — en allen zwaar bewapend! Roofmonsters met wijdgesperde muilen blonken op de boegen kopergeel en «rood, duidelijk dreigend wat de vreemden wilden. In aüerhaast werd de stad in staat van tegenweer gebracht. Maar de vele kleine poorten bleken te zwak, het rooversvolk te machtig; deur na deur bezweek. Voorname burgers in hun staatsiedracht verdedigden tot hun einde de toegang tot hun straat, hun huis.... zakten dan in elkaar; hun 's morgens nog prachtig gewreven bruine laarzen staken kleur«vloekend uit in het avondschel. Twee oude mannen waren met één wapen doorboord, achter elkaar, dat nog door hun heen was en in een schutting vast*stak; wreed blonk het gevest voor de voor ste's. borst, geel en verwrongen hun huilgezichten er boven. Een lange magere man met wilde baard verdedigde zijn deurpost door zwaaien met een heel lang mes; telkens werden er plaatsen van zijn lichaam murw geslagen, waar bloedsmots uitklodderde; zijn eene arm hing al vermorzeld uit te druipen, maar zijn smal hoofd met woeste baard en wilde oogen en de arm met het mes bleven maar leven en zich verwe* ren. Elk overwonnen huis werd aangestoken: van overal klonk geknetter en gejammer, en houtrook kwam verstikkend aan. Ook de kerken en de kloosters

Sluiten