Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

195

daarna kabeljauw. Tegen de hoogste vloed, bij zons* opkomst of sterke wind, was er het meeste van dat versche, malsche voedsel te verschalken: hij haalde dan wel in een half uur een twintig na elkander op. Andere dagen kon hij uren zitten, om al die tijd één zeeduivel aan wal te slingeren: een razend spartelende spopkvisch, vol kwaje flarden en flodders van vinnen; als men die doodtrapte, schreeuwde die, zei Oom, en kwam er noodweer en verdronken visschers. Die gooide hij er daarom altoos maar weer in.

Zoo'n lange warme middag zat Theodorik vaak aan zijn hengel, maar dun gekleed, wild donkerblond zijn haar; gebronsd door zon en wind en de weerkaatsing van het water gezicht en borst. Soms zonder denken; voelend zijn geest en lichaam rijpen in de rust. In ochtendvroegte baadde hij — zijn heele leven was nu sterk?kalm, frisch, natuurlijk. Hij was nu onbevoor* oordeelder dan ooit, zag alle dingen volmaakt onpar» tijdig onder oogen. Aan zijn familie dacht'i weinig meer. Jo was een aardig broertje geweest, dat wist*i nog, dat zou*i wel onthouden. Hij hield van kinderen, maar had er geen behoefte aan. Hij had haast niets meer noodig. Een kostelijke bloem, die deed niet mee aan geestelijke stroomingen, die had de wortels in de natte grond, de top in 't zonlicht, en diende met een stille pracht zijn tijd uit. Een diertje in een schelp ging ook alleen op voedsel uit, wat deerden hem zijn soortgenooten? Men bleef tóch in zijn innerlijk alleen — waarom dan anderen opgezocht? Zoo voelde hij zich vrij van heel de menschenwereld, met alle piet»

Sluiten