Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

197

kon krijgen: zijnde de samenleving allengs zoo ver ge* vorderd, dat alleen wie anderen loer op loer draaide zich kon handhaven. En wie zich om z'n gezin aan een positie vast moest klampen, zooals haast iedereen, was, precies uitgerekend, een lijfeigene, van a tot z wordend gekoeieneerd. Nee, hij verlangde allerminst terug naar 't Koninkrijk der Nederlanden; hield zich maar liever wat aan kant. Vond het ook niet noodig dit kort bestaan extra te verzwaren door in een ander werelddeel een plaatsje in de zon te gaan veroveren — zijn hart hing toch te zeer aan de natuur van deze streken.

Een vroege ochtend zat hij aan het strand, — er stond een stijve huiverwind, leigrauw wolkten de luch* ten, met over zee stormrood er tusschen door — toen over 't water het getamp van kerkklokken aanstreek. Heel zwak, van heel ver weg; telkens onderbroken, als werd het aangeblazen door een storm op 't vaste* land, terwijl de vlagen 't af en toe in andere richting joegen, dan klonk er niets.... zou 't Zondag zijn op verre visschersdorpen? 't Kwam aanvleugen; soms

duidelijk klinkend van dichtbij van vlakbij ge*

dempt! Alsof de golven vóór hem ginds in zee even opengingen, en lieten klank uit van een slingerende klok. Hij meende zelfs het knieren in de wrijfpunten te hooren. En zag dan op de horizon eensklaps de schim* men van een stad. Bleek*fijn en nevelig. Zwak blauw de hooge kerkdaken, gelijk grijsachtig groote schuren, als zware vogels liggend op een nest met jongen, er onder uit en er omheen: trapgeveltjes met kalk. Hij

Sluiten