Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

198

keek er naar met groote oogen — 't was geen wolk

fata morgana van een honderden mijlen af gelegen stad? Er was geen leven of beweging in: stil stond het doodsbeeld duidelijk op de kim. Hij, diep onder de indruk, nooit had hij-zich zóóiets voorgesteld, bleef er maar naar staan turen. Want gaandeweg verijlde 't toch. En was dan plotseling geheel vervluchtigd. Op hetzelfde oogenblik viel er een schelle zonstraal over 't water, dat een gewoner kleur kreeg. De wind stak op, de lucht werd minder spokig, er kwamen meren groenig blauw russchen de voortjagende wol» ken. Hij liep, ongerust over zichzelf, naar huis.

Oom had niets ongewoons bemerkt. Maar toen Theodorik hem, huiverig ontsteld, vertelde van het vreemde, sloeg hij de handen voor 't gezicht, en riep:

— 't Was Torken Tar! 't Was Torken Tar! Nu ko* men zwarte tijden!

Was Torken Tar dan niet verbrand? Nee! maar in zee verdwenen! Zooals ook Reimerswaal. Schepen wa* ren later nog wel tegen de torenspitsen onder water aangevaren

Nu volgden zwarte regendagen. Loodgrauwe water* wolken uit 't noordwesten stoven achter elkaar aan, het straalde duister uren achtereen. Ze moesten aaneen» door binnen blijven. In de beperkte ruimte, waar geen plaats voor groote werkzaamheden was. In 't woonver* trek, dat uitzag op het oosten en het zuiden: overal zwartsoppige zee met witte koppen, grafzwart het wa* ter, met wat kaal strand er voor, zaten ze zich bezig te houden. Annetje, nu alles op z'n plaats stond, ging

Sluiten