Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

200

zwaar doorgeslapen tot de morgenfrischte tegen zons* opkomst. In deze natte dagen werd dat anders, 't Bleef 's ochtends langer donker, en 't regenen op de ruiten lokte niet tot dadelijk opstaan na 't ontwaken. De dagen gingen al weer korten, werd duidelijk merkbaar, 's Avonds kwam de goeie ouwe olielamp al weer een poosje op; genoeglijk warmend met de rustige, breede, rosse schijn, nu 't overal in huis zoo damp geworden was. Theodorik's ovaal roodbruin gezicht was er nu weer vlakbij aan 't gloeien; als kronkelige dennen boven op een berg stonden zijn krullen overeind, zijn oogen puilden groot blauw uit. Hij concentreerde al zijn opnemingsvermogen op de leespassages die hem boeiden; releveerde die en spon ze uit, om ze vast te leggen in zijn brein. En riep terwijl de daarbij hooren* de landschappen en aspecten in zijn verbeelding op. Met hoop er 's nachts in voort te droomen. Maar zware lichaamsmatheid door wandelen van te voren zou dan noodig zijn.

Eén avond klaarde 't plotseling op. Er bleef een stijve bries uit het noordwesten, er stonden schapewolken grauw getint, er was maar vluchtig avondrood. Toen toog Theodorik eindelijk de woestijn weer in, het wes* ten op, de zon nastappend als een dolle automaat, met stil dUirium. Hij had een lantaren bij zich om terug zijn spoor te kunnen volgen; Oom hing toen 't deemster werd een groen licht buiten 't huis aan een soort mast. Een paar uur later verscheen hij doodmoe weer, ging dadelijk door naar bed, en dan daar was de droom.

Hij kwam een breede heuvelhelling afloopen, tot aan de knieën door de rosse hei, tot aan het middel soms

Sluiten