Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

206

den; de burcht weerspiegelde in de grachten. Ze zaten een poosje in de schaduw, Brinckerinck viel in slaap. Theodorik zag de wachten argwanend naar hen kijken; daarbinnen zat nu Jane en liet voor zich weven; dan traden twee gestalten op de tinnen, een dikke man in harnas, boos gesticuleerend, een magere in geestelijk kleed hem trachtend te kalmeeren. Dat waren Kostijn en Warhold. Kijkend of de bosschen in de verte rook*

ten, als de vijand nader kwam Warhold wenkte

naar beneden, naar hém. Het branden scheen in aan»

tocht, er was gevaar Hij wekte Brinckerinck,

ze Hepen dan weer voort, de ruimte in. Op de middag waren ze in Elspete, en vroegen er om eten. Men was er arm, men had alleen zuur roggebrood met roode boter aan te bieden. Ze sloegen 't af en gingen in de schaduw Hggen totdat de hitte luwde. Wanneer ze verder Hepen, rees er een prachtig panorama voor hun uit.

De grond lag welvend op de blauwe Apeldoorn* sche heuvels aan, als wijde golvingen, gestold; het daalde langzaam rossig in het gele Hcht, en steeg dan snel en breed tot mauve bergen op: niet op de vlakte neergezet of uitgeschud, maar een hoog»opgestuwde zwelling van de vlakte zelf. Een kom waarvan de wan* den in de bodem overvloeiden. De dennen dichtbij waren pittig groen — de bosschen vóór de boUe mauve bergen laag pikzwart. En op de bolste, buikig* 'Ste, in 't Zuiden — het leek een zware uitgezakte pudding, een pastei — begon ineens héél teer een bosch, met rechte hoek in 't Hcht beginnend.

Ze gingen er op aan, de helling af, de helling op, de

Sluiten