Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

208

grijze rook bolderde in lange lijn over de heide. De wanden van de oven blakerden en zengden zwart, wit waren aschstengels met gloeiwinden. Brinckerinck roosterde er geknede bollen in, beet er smakelijk van, en bood Theodorik glimlachend met fluweelen oogen er van aan. Theodorik, hongerig, vol begeerte, nam

gretig wat en hapte gulzig daar was hij alles

eensklaps kwijt: doodeüjk teleurgesteld, stuk van smart, met hopeloos onbevredigd*zijn in de mond, werd hij wakker in de grauwe morgen. Poogde nog in de droom terug te raken, door opzettelijk te soezen en zich de

beelden te herinneren hij kon de afgelegde weg

nog wel in hoofdzaak langskijken maar zijn ver*

stand werkte er russchen door: de stemming was ge* broken. In slecht humeur stond hij op; het weer was dreigend maar nog droog, en bol*zacht. Hij wou een bad gaan nemen om op te kwikken.

Annetje was er ook al uit en thee aan 't zetten. Toen ze naar hem opkeek kwam er dadelijk een meewarige trek op haar gezicht, en vroeg ze of hij slecht gesla* pen had. Slecht geslapen? slecht geslapen? beet hij haar grimmig toe — wat kon 'em slaap verdomme?! Dén, onder 't loopen door de koele lucht naar 't wilde grijze water, de oogen in de wolken met tint van blauwe bloedblaar op, garandeerde hij 't zichzelf:

Nu nóóit meer eten aanraken in droom. Dat was een ijzeren noodzakelijkheid, bij daglicht in zijn hersens vast te schroeven. Dat het er eeuwig inzat: in welke vreemde sferen hij ook geboeid zou zijn, dat dit eene altijd*door de spil van zijn instinct was: het eten te vermijden als een verdelgend gif.

Sluiten