Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

209

De heele dag voelde hij de Veluwetocht zitten zwaar achteren zijn hoofd. Het regende, hij knutselde. De avond liep hij door de dampigheid om zich te verfris* schen — en gleed dan weg in blanke, zachte slaap.

Brinckerinck en hij waren nu op pad naar Deventer. Hier moest het dorp van Oom zijn, waar Oom stations* macht had en Annetje de matten klopte uit het boven* raam. Hij kon het nergens vinden. Ze gingen russchen beuken door, de weg klom, dan een bocht — daar stond het oude Deventer achter het breede water! De vierkante Lebuïnustoren met de koepelbouw het grootst; de Bergkerk met de beide spitsen en de hooge nok: als veel in de Oostzeesteden, dat wist hij daar,

dat moest hij zelf hebben gezien Bij het fata mor*

gana van Torken Tar! wist*i ineens. Oud, rustig lan* delijk de daken van de huizen er om heen; overal groen er russchen. Er vóór, kort aan het water, de geveltjes boven de lage ringmuur met veel poortjes uit. Wat veel geboomte tusschen al de stille oude hui* zen! Alle openingetjes er mee gevuld: de stad leek wel een opgemaakte schotel. Vaag die weerspiegeld in

het kalm voorbijglijdende water, met hcht geruisch

hoe heerlijk zuivere rust! 't Geruisch kwam van waar de rivier zich tusschen de peilers van de boogbrug door versnelde. Zij hepen er over, en door een poort met torentje de stad binnen.

De straten waren nauw en krom en helden op. Af en toe zag hij een weelderig uitgegroeide hooge boom in volle zon tusschen oude huis*achterkanten, en groe* ne druiven op de muren hangen. Hij hoorde Brincke*

14

Sluiten