Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

212

Johannessen: van Kempen, Vos en hij — de jonge broer van Kempen zou het wel niet zoo ver schoppen. Het Diepenveensche klooster werd voor vrouwen; zijn beide adellijke vriendinnen hadden daar op aangedron» gen en er veel voor over gehad, en ook nog een zekere

Elsebee van Oldenzaal

Ze waren voortgewandeld naar een lage poort, een paard elk bij de teugel hebbend. Dan gingen ze de stad uit, en stegen op. Het land was laag en grassig, wat moerassig, met los bosch: van sappig groen. De ander sprak weer van de adellijke vrouwen. Hoe Zwedera van Rechteren ook veel van paardritten gehouden had; toen ze nog getrouwd was met de Heer van Ruinen, hoe vurig was ze dan niet vaak op klopjacht over de hei van Ruinerwold gerend! en dwars door de rogge» veldjes van de armen.... Nu deed ze daarvoor boete. De Vrouwe van Vreden had na zeven jaren moorden en branden die titel pas veroverd; bij de plechtige in» tocht voor het bekleed worden met die waardigheid was ze zóó onder de indruk van de ijdelheid van elk wereldsch streven gekomen, doordat haar voerman van de wagen viel en onder de wielen, dood, dat ze haar omgeving had vaarwel gezegd, om in Deventer zich aan het leven van de geest te wijden.... En Else» bee van Oldenzaal: vroolijk, fier, fantastisch was ze eerst geweest. Dan gelukkig getrouwd, maar moeder» weelde had ze eerst niet mogen smaken. Na een bede» vaart naar het Mariabeeld van Einsiedeln waren haar kinderen geschonken, doch weldra was de geesel Gods gekomen over deze landen, de pest, en had haar man»

Sluiten